Posts tonen met het label Indische Nederlanders. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Indische Nederlanders. Alle posts tonen

dinsdag 5 november 2013

Het leven van Fred Couzijn - een Indische Nederlander in hart en nieren.

"Als je nog vragen over vroeger hebt, moet je ze hem nú stellen," had Manlief begin 2005 gezegd. "Je vader is nog steeds goed bij de pinken en je weet hoe graag hij over vroeger praat. Straks is het misschien te laat."

De daaropvolgende zondag zitten we bij mijn vader in Arnhem. Hij is overduidelijk blij met mijn interesse voor zijn verleden. Hij heeft altijd verhalen over vroeger verteld, maar dat waren meer snapshots over zijn kwajongensstreken, zijn studietijd in Jogyakarta, het spelen in een band om zijn studie te kunnen betalen en af en toe gaf hij voorbeelden over de ongelijke behandeling door zijn ouders, mijn opa Karel Gaston en oma Josephine Sophiane.


Gaston en Josephine
Hun eerste kind was een zoon en daarmee stamhouder van die tak van de familie. De ouders wensten dat hun tweede kind een dochter zou zijn, maar kregen in plaats daarvan wéér een zoon, mijn vader, die van jongs af aan al aan zware bronchitis leed en geregeld astma-aanvallen had. Toen vrij snel daarop het derde kind kwam, dit keer de gehoopte dochter, begon mijn vader te merken, dat kinderen uit één gezin qua (voor)rechten niet altijd over dezelfde kam geschoren werden. 
Maar voor díe verhalen ben ik niet naar Arnhem gekomen. Ik ben nu op zoek naar de chronologische volgorde van zijn leven, vanaf de bruiloft van mijn ouders in 1940 tot aan mijn vaders terugkeer uit Nieuw Guinea waar naartoe hij zich in 1960 vrijwillig had laten uitzenden.



Mijn ouders, Fred Couzijn en Phebe Muller, trouwen op 3 juli 1940, na een korte verloving van drie maanden. Ze hebben elkaar tijdens een jamboree van de padvinderij — zoals de club toen nog heette — ontmoet. Fred was hopman en Phebe akela. 

De familie van Phebe is eigenlijk een beetje verbaasd over deze match, want Fred en Phebe hebben een totaal verschillend wereldbeeld. Bovendien heeft Phebe een vriend, weliswaar geen vaste, maar die heimelijk als potentiële huwelijkskandidaat wordt beschouwd. 


De ouders van Phebe zijn meer gericht op Nederland en de Nederlanders. Misschien ligt dat aan het beroep van Phebe's vader, die kantoorhoofd van Comptabiliteit van het Dep. van Financiën is, een functie die hem veel aanzien geeft. In ieder geval wordt er in huize Muller alleen Nederlands gesproken en worden vriendschappen met 'inlanders' ontraden. 


Vlnr: Phebe - haar moeder - jongste zus Agaath
Phebe leidt een beschermd maar vooral bevoorrecht leven want een deel van haar opleiding tot lerares naaldvakken kan ze in Den Haag, tijdens een verlof naar Nederland in 1934, afronden. Gelukkig heeft ook Fred een goede opleiding — Oosterse Letterkunde en 1e gedeelte Notariaat — en een overheidsbaan als corrector bij de Landsdrukkerij, dus eigenlijk kan het bruidspaar niets in de weg worden gelegd.

Het prille geluk van Fred en Phebe wordt bekroond met de geboorte van een zoon, Alphons, op 16 april 1941. Maar het onbezorgde geluk is niet van lange duur. Daags nadat de Japanners Pearl Harbour hebben aangevallen, verklaart Nederland de oorlog aan Japan en breekt er een onzekere tijd aan. Na de capitulatie van Nederlands-Indië in 1942, worden veel Indische Nederlanders door de Japanners uit hun functie ontslagen en zit het gezin zonder inkomsten. De ouders van Phebe springen bij en gezamenlijk weten ze het hoofd boven water te houden.



Gelukkig krijgt Fred — na een jaar zonder inkomsten — via Dee, één van zijn jongere zusters, een baan aangeboden in Ceribon. Hij wordt er autocontroleur bij de Staats Spoorwegen. Doordat Fred in zijn kinderjaren en tijdens zijn studie wél inlandse en Chinese vrienden had en bovendien vloeiend Maleis, Javaans en Soendanees spreekt, is het gezin de bezetting door de Japanners heelhuids doorgekomen. Wél is er de voortdurende angst voor razzia's en de vernederingen door Japanners en Indonesiërs. Maar het ergste, de bersiaptijd, moet nog komen.

Na de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 wordt het gezin op last van de Republik Indonesia geïnterneerd. Vrouwen en kinderen, dus ook Phebe en Alphons, zitten in Hotel Ceribon, de mannen in de plaatselijke gevangenis. Van oktober 1945 tot en met april 1946 verblijven ze in Ceribon. Hoewel de internering zwaar is door een tekort aan voedsel, medicijnen en hygiëne, zijn zij daar beter beschermd tegen de pemuda's dan toen ze nog op vrije voeten waren, waar ze 's avonds met geblindeerde ramen en deuren in het donker zaten en zich doodstil hielden in de hoop dat de fanatiek schreeuwende, moordzuchtige en met speren bewapende groepen jongeren het alleen bij bonken op deuren en ramen zouden houden. Ze hebben geluk gehad dat de pemuda's niet zijn binnengedrongen om de boel te plunderen. Fred en Phebe proberen in het dagelijkse leven onzichtbaar te zijn.

Op 26 april 1946 worden Fred, Phebe en hun zoontje Alphons door het Rode Kruis naar Batavia geëvacueerd, waar ze in een gezinskamp terechtkomen. Gelukkig hoeven ze daar niet lang te blijven Door toedoen van Phebe's ouders,  die in een groot huis aan de Padelarangweg wonen, kunnen ze in de tot  paviljoen verbouwde garage wonen. Fred gaat bij het Rode Kruis werken als medewerker personeelszaken en regelt de opvang van de mensen die druppelsgewijs uit de interneringskampen naar Batavia komen. Wanneer die functie zichzelf min of meer opheft, wordt hij Commies-Redacteur bij het Departement van Economische Zaken. Het gezin heeft weer een stabiel inkomen. De talenknobbel van Fred zorgt ervoor dat hij een baan als Hoofdtranslateur Indonesische Talen bij de interceptiedienst van de NEFIS (Netherlands Forces Investigation Service) krijgt en tewerkgesteld wordt bij het hoofdkwartier van de centrale militaire inlichtingendienst. 

Maar de situatie in Indonesië verslechtert met de dag. Sukarno had in 1945 al de Republik Indonesia uitgeroepen en wilde zo spoedig mogelijk alle Nederlandse burgers en militairen het land uit hebben, terwijl Nederland in de veronderstelling verkeerde dat het koloniale leven en bestuur zich na de oorlog weer zouden herstellen en alles bij het oude zou blijven. De Nederlanders en Indische Nederlanders krijgen de keuze: óf naar Nederland vertrekken, óf in Indonesië blijven, maar dan ook Indonesisch staatsburger worden. De keuze is niet moeilijk. Op 26 december 1949, de dag voordat de soevereiniteitsoverdracht door Nederland plaatsvindt, gaan Fred, Phebe en Alphons aan boord van de Van Oudshoorn met bestemming Biak.


De tijd op Nieuw Guinea, eerst op Biak, later in Hollandia, ervaren Fred en Phebe als de gelukkigste en meest zorgeloze tijd van hun huwelijk. Fred heeft een leidinggevende baan als Chef de Bureau en heeft een goed inkomen. Het geld kan echter niet uitgegeven worden omdat er maar één winkel in Hollandia is, die alleen het hoognodige verkoopt. De luxe artikelen worden per brief besteld bij de ouders van Phebe, die al veel eerder naar Nederland zijn gegaan en inmiddels in Zwolle wonen. De bestelde artikelen doen er zes weken over voordat ze bij Fred en Phebe aankomen. Fred heeft weer een bandje en speelt op allerlei feesten. Bovendien is hij een fervent fotograaf en filmer. In zijn vrije tijd gaat hij zeevissen met Alphons en Jacob, hun Papoease hulp. Er heerst emotionele rust en er kan nu serieus aan gezinsuitbreiding gedacht worden. 

Op 14 december 1952 krijgen ze een dochter, die de roepnaam Fieneke krijgt. Er heerst vreugde bij Fred en Phebe want de 'rijkelui's wens', een zoon en dochter, is in vervulling gegaan. 


Op het strand van Base G
Broer Alphons echter, die op een broertje had gehoopt en al zijn speelgoed had gepoetst en opgeknapt, is zwaar teleurgesteld wanneer zijn vader hem midden in de nacht wakker maakt om het nieuws te vertellen. Hij draait zich om en gaat verder slapen.

Aan deze voorspoedige tijd komt een einde wanneer Fred met zijn gezin naar Nederland wordt overgeplaatst omdat het koloniaal bestuur, dat op Nieuw Guinea nog steeds zeggenschap heeft, besloten heeft om de KL daar op te heffen en in handen van de Koninklijke Marine te stellen. Op 15 maart 1955 gaan ze aan bord van de Sibajak en zetten op de verjaardag van Alphons voet aan wal in Rotterdam. Alphons is al een jaar eerder voor zijn middelbare schoolopleiding aan de HBS naar Phebe's ouders in Nederland gestuurd. 

Fred, Phebe en Fieneke zitten na aankomst in Nederland anderhalve maand in een pension in Epe. Veel Indische Nederlanders hebben hun bezittingen moeten achterlaten en zijn op een lening van de staat aangewezen om de kosten van hun verblijf in pensions te vergoeden of om de hen toegewezen huizen te kunnen meubileren. In sommige gevallen kwam het voor dat ze 60% van hun spaargeld aan de Nederlandse staat moesten afstaan. Fred gaat er prat op dat hij helemaal geen gebruik van een lening hoeft te maken, maar het is wel afzien.  


Achteraf bekeken heeft de Nederlandse staat de repatrianten een flinke loer gedraaid. Veel mensen die zo'n lening hadden afgesloten, moesten ter afbetaling maandelijks vaak tot 60% van hun inkomen afstaan! Er werd ook geen goede administratie van de betalingen bijgehouden zodat ze nooit inzicht hadden over in hoeverre de schuld was afgelost en zo kon het voorkomen dat een gezin soms wel dertig jaar aan het betalen was, terwijl het leningsbedrag al jaren afgelost was. 


Fred wordt overgeplaatst naar Woonoord Schattenberg, het voormalig Kamp Westerbork waar hij, zwaar teruggesteld in rang en salaris, aan het werk gaat. 
Hij vertrok uit Nieuw Guinea als Hoofdcommies met een salaris van fl 850,-- en krijgt in Nederland de rang van administratief ambtenaar C 2e klasse met een salaris van fl 290,--. Vreemd genoeg zijn ook de diploma's die hij in Indië behaald had — notabene afgenomen door officiële Nederlandse instanties — nu niets meer waard Het ergste vindt hij dat er op hem wordt neergekeken. Sommige opdrachten die hij in de vorm van een verzoek geeft, worden door zijn medewerkers gesaboteerd of soms niet uitgevoerd. Een keer gaat de weigering zelfs gepaard met het antwoord "Ik neem geen opdrachten van bruintjes aan." 


Schattenberg
De tijd in Schattenberg knaagt aan zijn zelfvertrouwen, vooral wanneer hij de zondebok wordt van frauduleuze handelingen van een van zijn meerderen. De kwestie loopt zo hoog op, dat hij voor ondervraging op het Ministerie van Defensie in Den Haag wordt ontboden waar zijn boekhouding tot op de cent wordt gecontroleerd. Na een zenuwslopende tijd komt de waarheid aan het licht en wordt Fred voor zijn integere gedrag bevorderd. De fraudeur schijnt later zelfmoord te hebben gepleegd.

Fred doet vanaf zijn aankomst in Nederland verwoede pogingen om naar Nieuw Guinea uitgezonden te worden. Keer op keer dient hij verzoeken in. In 1959 wordt zijn verzoek eindelijk ingewilligd. "Alles goed en wel," zegt Phebe wanneer ze het nieuws hoort, "maar dan wil ik niet in Schattenberg blijven!" en daarom verhuist het gezin eind 1959 naar Assen.

Het huis dat ze huren is van binnen in slechte staat en de huiseigenaar wil er niets aan doen omdat hij toch van plan is het huis te verkopen. Het zal aan de goodwill van de nieuwe eigenaar worden overgelaten of het huis wordt opgeknapt. Voordat Fred vertrekt komt er eerst nog telefoon en TV in huis om het Phebe tijdens Freds afwezigheid zo comfortabel mogelijk te maken. 
In oktober 1960 vertrekt hij voor anderhalf jaar naar Hollandia, nu niet met een boot maar met een vliegtuig, waarmee je toch nog vier dagen onderweg bent.

De tijd dat Fred voor de tweede keer op Nieuw Guinea zit, bij de staf van de Genie, zorgt ervoor dat het gezin zich aan een uitzichtloze en oneerlijke situatie kan  ontworstelen. Als Fred in Nederland was gebleven, zou hij nooit de verdiende bevorderingen hebben gekregen en zou er altijd weer een excuus zijn gevonden om hem met een kluitje in het riet te sturen. De tropentoeslag die hij ontvangt, wordt secuur gespaard met het doel om bij terugkeer een huis te kopen.


De staf van de Genie op Nieuw Guinea 
De Dienst Welzijnszorg zit intussen ook niet stil. Zij regelen dat Phebe, Alphons en Fieneke omstreeks de kerstdagen vervoer naar Amersfoort krijgen om Een groet van overzee op te nemen, een grammofoonplaatje waarop familie een kerstboodschap heeft ingesproken. Als afsluiting van zo'n opnamedag wordt het gezin onthaald op snert met rookworst. 

Kort nadat Fred eind maart 1962 op Schiphol landt, krijgt hij bericht dat hij naar Arnhem wordt overgeplaatst, waar hij Hoofd van de sectie materieelbeheer en brandveiligheid wordt. De eerste paar weken reist hij dagelijks op en neer van Assen naar Arnhem, maar omdat de reis te vermoeiend is, besluit hij om in Arnhem in de kost te gaan. Na een scheiding van anderhalf jaar wordt hij nu een weekendechtgenoot. Via het Bouwfonds kopen Fred en Phebe een huis aan de Brekelenkampstraat in Arnhem, maar het zal nog wel 18 maanden duren voordat ze erin kunnen trekken. Gelukkig vindt Fred een tussenoplossing: een huurmaisonnette aan de Slaakweg. 

Wanneer het huis aan de Brekelenkampstraat wordt opgeleverd en Fred, Phebe en Fieneke zich hebben gesetteld, komt ook de loopbaan van Fred in rustiger vaarwater. 
Het gaat wel niet altijd over rozen, maar het is niet meer zo unfair als wat hij eerder heeft meegemaakt.
Zijn hobby is nog altijd fotograferen en filmen. Hij  verdient wat bij door horloges en klokken te repareren. Echt veel heeft het niet opgeleverd, want het ging hem ook om de ontspanning. 

In 1976, als Fred 62 is, gaat hij met pensioen en krijgt hij een afscheidsreceptie aangeboden. Het is een hele verandering. De strijd tegen het onrecht, zoals hij het noemde, valt weg. Maar Fred is nieuwsgierig en leergierig en begint al snel met edelsmeden en het bewerken van half-edelstenen.

De ene na de andere ring, armband of ketting komt uit zijn handen. Wanneer hij het kunstje beheerst, zoals hij het zelf zegt, gaat hij weer op zoek naar iets anders want hij wil 'bij' blijven en vooral niet achter de geraniums belanden.

In 1984 slaat het noodlot toe. Phebe overlijdt op de leeftijd van 68 jaar, net in een periode waarin ze elkaar 'herontdekt' hebben en wekelijks naar Giethoorn gaan waar een stacaravan op de wal staat en een gele speedboot in het water ligt. Fred gaat na haar overlijden niet bij de pakken neerzitten en gaat reizen: naar Indonesië, Californië en Florida. Al die tijd blijft hij aan de Brekelenkampstraat wonen en is doof voor suggesties om kleiner te wonen of naar een verzorgingshuis te gaan.

Fred Couzijn sterft op 16 augustus 2005, na een leven met veel tegenslagen maar met steeds genoeg veerkracht om er weer bovenop te komen.

Fred Couzijn 1914 - 2005



Dit is een eerbetoon aan mijn vader. Nadat ik de documentaire Buitenkampers van Hetty Naaijkens-Retel Helmrich had gezien, móest ik dit verhaal schrijven omdat de adrenaline door mijn lijf schoot en het teveel ervan via mijn ogen eruit vloeide. 

Het verhaal is gebaseerd op het interview met mijn vader, maar vooral op de documenten die ik na zijn overlijden in bezit heb gekregen. Mijn vader heeft nauwgezet zijn studies, diploma's, loopbaan en inkomsten, compleet met data, op schrift gesteld. Bovendien heb ik een afschrift van zijn verzoek om vervroegd met pensioen te mogen. Hij geeft daarin voorbeelden van discriminatie die hij ondervonden heeft.

Ik heb ooit aan een klas Cultural Diversity-studenten gevraagd wat zij over het leven van ouders weten en ik stond verbaasd over hoe weinig dat was. De ouders vertelden niet en de kinderen vroegen niet.

Door wat mijn vader me heeft verteld en de bevestiging daarvan in de documenten, kan ik alleen benadrukken hoe belangrijk het is om het verleden van je ouders te kennen. 






 











vrijdag 18 november 2011

Herinneringen - Woonoord Schattenberg, voormalig Kamp Westerbork

In mijn workshop Cultural Diversity gebruik ik graag persoonlijke voorbeelden, want op die manier kan ik mijn cursisten aanzetten tot nadenken over hun eigen culturele achtergrond. Het analyseren van de omstandigheden van mijn eigen (familie)cultuur, heeft veel herinneringen in mij losgemaakt.


Toen mijn ouders, Phebe Muller en Fred Couzijn, in 1955 vanuit Nieuw-Guinea voet aan wal in Nederland zetten, wachtte hen geen echt warm welkom. De Nederlandse bevolking was de oorlog maar net te boven gekomen en was druk bezig met het herstellen van de schade. Er was weinig tijd of belangstelling voor de oorlogsverhalen uit hun voormalige kolonie in Zuid-Oost Azië.
Tegelijk met de Indische Nederlanders kwamen veel Molukse gezinnen, waarvan de mannen in het KNIL, het Koninklijk Nederlands Indische Leger hadden gediend, naar Nederland. De huisvesting was een groot probleem. Er waren al niet voldoende woningen voor de 'eigen' bevolking, laat staan voor de nieuwkomers.

Bij aankomst in Nederland werden mijn ouders in een pension in het Gelderse Epe geplaatst. Ik heb daar zelf weinig van meegekregen, maar uit de verhalen heb ik begrepen, dat het geen fijne tijd was. Mijn ouders waren een vrij mondaine manier van leven gewend die niet strookte met de opvattingen van de pensionhoudster, die vol overgave de onder haar hoede geplaatste schaapjes introduceerde in de Nederlandse samenleving.

Zoals dat vaak gebeurde in die tijd, werden de diploma's en opgebouwde carrières van de nieuwkomers niet op hun waarde geschat en moesten veel Indische mensen vaak genoegen nemen met een plaatsje onderaan de ladder. Mijn vader had het 'geluk' dat hij een ambtenarenverleden had en na ongeveer 6 maanden kreeg hij een baan aangeboden bij de Genie in Woonoord Schattenberg. De naam mag dan wel idyllisch klinken, de plaats was het zeker niet. Woonoord Schattenberg bleek het voormalige kamp Westerbork te zijn, de doorgangsplaats voor opgepakte Joden, Roma, Sinti en verzetsstrijders op weg naar de concentratiekampen. Nadat het kamp na de oorlog dienst had gedaan als interneringskamp voor NSBers en daarna nog een jaar als kortstondige opvang voor de eerste batch Indische Nederlanders, besloot de Nederlandse regering de barakken te gebruiken als onderkomen voor de toestroom van Molukse gezinnen. In de huizen van de voormalige Duitse officieren werden de beheerders van het kamp gehuisvest.

http://www.kampwesterbork.nl/geschiedenis/afbraak-en-herinrichting/een-leeg-terrein/
Mijn ouders, broer en ik gingen in één van de zes tweekappers van de vroegere Duitse kampbewaking wonen, linksonder op de maquette. In de andere huizen van de straat woonde nog één Indisch gezin, dat daar was blijven hangen na hun aankomst en opvang in 1951, maar in de overige tweekappers woonden Nederlanders.  De dokter woonde in een soort bungalowtje aan het begin van de straat. De  huizen werd door prikkeldraad afgescheiden van het eigenlijke kamp met de barakken, waar de Molukse gezinnen woonden.

http://nl.wikipedia.org/wiki/Kamp_Westerbork
Ons huis was naar Nederlandse begrippen uit die tijd heel luxueus. De kampbewaking had zich goede onderkomens toebedeeld. Bij binnenkomst kwam je in een ruime hal waar zich ook het toilet bevond. Door een schuifdeur kwam je in een gang met aan de linkerkant de deur naar de woonkamer en rechts de deur naar de eetkamer/keuken met aangebouwde serre. Recht vooruit was de trap naar boven, waar drie slaapkamers waren en een badkamer met ligbad. Vanuit de badkamer ging een vlizotrap naar de zolder. Mijn ouders waren zeer te spreken over die badkamer. Ze waren in Indië gewend om zich dagelijks te 'baaien', zoals ze dat zeiden. Ze hadden zich mateloos geërgerd aan het ontbreken van een eigen badkamer in het pension.

Hoewel ik nog heel jong was, heb ik toch veel flarden aan herinneringen uit die tijd. Als kind was het eigenlijk geen slechte plek om op te groeien. Ik had alles wat een kleuter zich maar wensen kan: een schommel aan een dikke tak van de boom op ons erf, de hond van mijn broer en zelfs een kip, waarvoor ik liefdevol zorgde totdat zij op een goeie dag door de tuinman onder de arm werd meegenomen en ik haar een paar dagen later op mijn bord aantrof. Het bos begon al in de achtertuin en ik weet nog, dat ik samen met mijn moeder en mijn veel oudere broer spannende wandelingen maakte en dat we dan opeens bij een vennetje aankwamen dat vol met kikkerdril lag. Je kon je armen in het water steken en een dikke laag opscheppen, die er natuurlijk meteen weer afglibberde. In al de jaren daarna heb ik nooit meer zoveel kikkerdril gezien!

De toegang tot het kamp werd afgesloten door een slagboom. Vanuit een naastgelegen barak werd toezicht gehouden op het binnenkomende en uitgaande publiek. De firma Harmanni onderhield een speciale dagelijkse busdienst van en naar Assen.
Mijn broer ging met die bus naar de HBS in Assen, totdat hij in Groningen ging studeren en daar in de kost ging.

Bron: Nationaal Archief
Schattenberg was een dorp op zich, met een kerk, school, wat winkels en een postkantoor.
De Molukse gezinnen woonden in de barakken die wel opgeknapt waren, maar nauwelijks luxe boden.  Een barak bestond meestal uit een lange, gemeenschappelijke gang met aan één kant deuren, die toegang gaven tot de woon- en slaapvertrekken. Er konden meerdere gezinnen in zo'n barak wonen. Er was zelfs een barak voor de vrijgezellen gereserveerd. Privacy was er nauwelijks.

Mijn vader had door zijn werk veel contact met de Molukse gezinnen. Toen ze te weten waren gekomen dat hij in Assen lesgaf in het ontwikkelen en afdrukken van foto's, werd hij vaak uitgenodigd om reportages te maken van een bruiloft of de doop van een kind. Soms werd hem gevraagd om foto's te maken van overledenen. De vraag naar fotoreportages nam zo toe, dat mijn vader van één van de  slaapkamers een doka maakte, waar hij een paar avonden per week aan het werk was.
Heel af en toe mocht ik met mijn vader mee het kamp in om foto's af te leveren. Een beetje verlegen zat ik braaf naast mijn vader te kauwen op het snoepgoed dat me gul werd toegeschoven. Soms maakte ik met hem een wandeling naar de spoorlijn achter het kamp. Een stuk van die spoorlijn is nu een monument geworden, ter nagedachtenis aan de mensen die op transport zijn gesteld.

Bron: hotspotholland
Mijn moeder, daarentegen, bemoeide zich nauwelijks met de bewoners van het kamp en zij ook weinig met haar. Een heel enkele keer ging ze naar de kampwinkel toe, maar meestal haalde ze haar boodschappen in Assen of kwamen de leveranciers aan de deur. Van haar mocht ik nooit alleen het kamp in en zijn er ook nooit Molukse kinderen bij ons over de vloer gekomen om met me te spelen. Mijn moeder was vriendelijk, maar wilde duidelijk afstand houden. Om die reden ging ik ook niet naar de school in het kamp, maar naar de kleuterschool in Hooghalen. Ook mijn broer had geen vrienden in het kamp. De enige vriend die hij in Schattenberg had, was de Indische buurjongen. Ze zaten op dezelfde school, speelden samen gitaar en luisterden naar  Les Paul en Mary Ford, Glen Miller en allerlei andere Amerikaanse artiesten uit de platenverzameling van mijn ouders. Het was dus niet alleen het prikkeldraad dat onze straat van het kamp scheidde. Achteraf bezien had ik als kleuter een vrij eenzaam bestaan, maar ik heb er niet onder geleden.

Tot grote blijdschap van mijn moeder werd mijn vader eind jaren 50 naar Assen overgeplaatst, een goede reden om uit Schattenberg weg te gaan. Ook ik verheugde me op de verhuizing. Ik zat inmiddels in de eerste klas van de lagere school in Hooghalen, maar het heen-en-weer reizen met de bus en de lange overblijftijd tussen de ochtend- en middaglessen waren te vermoeiend voor mij.

Bron: kennislink.nl
In 2003 ben ik terug gegaan naar Westerbork. Op de plaats waar het kamp geweest is, staan nu telescopen opgesteld, maar er is gelukkig ook een museum, waarin de geschiedenis van Kamp Westerbork en  Woonoord Schattenberg wordt verteld. Ik ben er op zoek gegaan naar materiaal en foto's uit 'mijn' tijd. Ik ben geschrokken van de emoties die naar boven kwamen. De tijd in Schattenberg mag dan wel kort geweest zijn, het heeft toch wel indruk op me gemaakt.
Na het overlijden van mijn vader heb ik in zijn huis nog allerlei foto's en filmmateriaal van Schattenberg gevonden. Het belangrijkste - een door mijn vader gemonteerde film die ik in een ouderwetse, blikken filmdoos  aantrof,  heb ik op DVD laten zetten. Een waardevol document voor mijn nageslacht.

Nawoord
In 2013 heb ik nog meer bewegend beeldmateriaal van mijn vader over Schattenberg gevonden. Hij had de Stille Omgang gefilmd, die jaarlijks op 4 mei gehouden werd. Alle Molukse en Nederlandse notabelen van het kamp komen voorbij in dit 9-minuten durende fragment.